Het Smithuyserbos, door de afgelopen eeuwen

HET SMITHUYSERBOS

Dr. D.P.R.A. Bouvy

Bussum, maart 1986

Inleiding.

Het Smithuyserbos, een particulier bosbezit van bijna 40 ha. groot, gelegen te Hilversum, aan de rand van de provincie Noord-Holland.

Teruggaand tot 1837 wordt een chronologisch beeld gegeven van de opéénvolgende eigendomssituaties en de daarbij parallel lopende bosontwikkeling tot op de dag van vandaag.

Waar nodig wordt met behulp van voetnoten (*) in de tekst verwezen naar aanvullende informatie, welke als bijlage is toegevoegd.

Ter verduidelijking van één en ander wordt plaatselijk verwezen naar vak en afdelingnummer, zoals deze op de huidige beheerskaart (1977/1984) staan vermeld, – 3h – (zie bijlage).

“Het Bos”, zoals het was, bijna verdween, zich opnieuw ontwikkelde en thans verzorgd en gekoesterd zal worden tot in lengte van dagen.

1. De Zandverstuivingen.

Tot in de late middeleeuwen was het zuidelijk deel van het Gooi beheerst door het Gooiersbos, een oerbos, in hoofdzaak bestaande uit inlandse eiken en berken. Maar als de beheersregels in dat gemeenschapsbos niet voldoende worden nageleefd, smelt het weg als sneeuw voor de zon. De goedgevormde eiken worden gekapt voor de bouwen naar het heet de laatste voor het nieuwe stadhuis van Naarden (1601 1604). Intussen hielden schapen en varkens de natuurlijke verjonging tegen en zo kwam de ontbossing goed op gang. Wat eikenhakhout hier en daar zal het nog wel een poos hebben volgehouden. Maar weer en wind kregen de kalende gebieden allengs in hun greep en ontketenden zandverstuivingen met hun opgestoven hoogten en uitgestoven laagten. Akkers en zelfs dorpen dreigden bedolven te worden. Zover kwam het echter niet, maar het was hier en daar in ons land wel op het nippertje. Dat woeste heuvelachtige gebied is duidelijk te zien op de Gooilandkaart, door Reinier en Josua Ottens omstreeks 1740 uitgegeven, waarbij direkt ten noorden van de grenspaal no. 13 aan de limietscheiding tussen Holland en Utrecht, ons terrein gezocht moet worden. Bos is uiteraard op die plek niet te vinden wel twee zandwegen, mogelijk hessenwegen, genoemd naar de kooplui met hun karren, beladen met steengoed uit het Rijngebied, Raeren, Westerwald, Siegburg en Nassau (*1.)

De Rijksoverheid ging nu maatregelen treffen d.w.z. liet de wandelende zanden inperken en vastleggen door herbebossing. Maar om dit karwei te klaren gaf zij domeinheidegronden uit aan belangstellenden. Immers er bestond nog geen Staatsbosbeheer. Het was dus een vorm van privatisering. In 1836, bij Koninklijk Besluit van 12 juli, kwam er een eerste heideverdeling tot stand tussen de Staat en de Erfgooiers. Tot dan toe was het een gezamenlijk beheer geweest, maar nu gingen beide partijen uitelkaar. Reeds het volgend jaar begon de Staat met het afstoten van de kort tevoren geheel in eigendom verworven heidegrond.

Op 10 november 1837 vond er te Hilversum een veiling van domaniale heidegronden plaats, geleid door notaris Albertus Perk, agent van Domeinen en in aanwezigheid van Burgemeester Barend Andriessen. Harm Reuring, lid van de Raad en Pieter Doets, Gemeente-Secretaris.

Op een bijgaande kaart van de kavelingen blijkt ons latere bos te bestaan uit drie percelen: 14, 15 en 16.

No. 14, groot elf bunders, tweeëndertig roeden, kwam in handen van Pieter Franciscus de Seyff, majoor der Artillerie, wonende te Naarden voor f 170,–.

No. 15, twaalf bunders, zesenzeventig roeden en dertig ellen, werd gekocht door Sigismundus Pieter Ham Frederikszoon, fabrikant te Hilversum, voor f 280,–.

No. 16, groot vijftien bunders, drieëntwintig roeden en veertig ellen, verkocht aan Jan van den Andel, Secretaris van Vreeland voor f 320,–.

De totale oppervlakte was 39 bunders, 61 roeden en 100 ellen voor f 770,–. De drie eigenaren hebben maar korte tijd deze  gronden in handen gehad, waarop zij mogelijk alleen om speculatieve redenen hadden geboden (*2), want op 19 januari 1838 voor notaris Albertus Perk te Hilversum verkocht Pier Hendrik Bodeman, makelaar te Amsterdam, de drie percelen heidegrond gelegen onder de gemeente Hilversum aangeduid op de figuratieve kaart onder de nummers 14, 15 en 16, behorende bij de veiling van november 1837, aan Pieter Johannes Smithuysen, makelaar in tabak te Amsterdam voor f 900,– (*3).

2. Het Eerste Bos.

Smithuysen zal ongetwijfeld de bebossing van het terrein met crèmekleurige stuifzanden en heide goed hebben aangepakt. Er zal wel voornamelijk gebruik zijn gemaakt van grove den met daar omheen een wal van eikenhout ter wering van vee en als bescherming tegen bosbrand. Aan die aanleg herinnert ons een klein aantal zware inlandse eiken, die als telgen waren uitgespaard (*4). Het plantsoen moet behoorlijk zijn aangeslagen, want het terrein werd in groen aangegeven op de kaart van Hilversum uit de atlas van Suringar van omstreeks 1865. Of het huidige fijne paden- en lanenstelsel van Smithuysen of de latere eigenaar Van den Wall Bake afkomstig is, weten wij niet. Maar het steekt in ieder geval sterk af bij de rechte paden en wegen van de omgevende terreinen.

De slagader, van noord naar zuid door het midden van het bos lopend, is de oude Hessenweg, die zich naar het zuiden in twee wegen splitst. In noordelijke richting slingert de hoofdlaan zich als een holle, ietwat uitgesleten weg tussen twee heuvelrijen door.

Van Smithuyserbos wordt pas voor het eerst gesproken lang na beëindiging van het Smithuysenbeheer in een akte van 1911.

Pieter Johannes Smithuysen overleed te Amsterdam op 22 april 1877. Zijn vier kinderen erfden het bos, daartoe aangewezen bij testament van 30 april 1874. Zijn jongste zoon Petrus Henricus Franciscus behartigde echter de belangen van het terrein. Maar spoedig na zijn dood op 19 maart 1890 ging al het naaldhout plat. Van de eikenhakhoutomgrenzing en het meer naar het midden op het terrein aanwezige eikenhakhout zal wel wat gespaard zijn. Vervolgens verkochten alle erfgenamen op 28 september 1893 voor notaris Karel Jan Perk aan Hugo Laurens Adriaan van den Wall Bake, muntmeester en Mr. Willem Karel Lodewijk van Walree, particulier, “Een perceel grond, grootendeels gerooide boschgrond, gedeeltelijk beplant met eikenhakhout, liggende onder de gemeente Hilversum, nabij de Waschmeer, kadastraal bekend in sectie D nommers 687 en 688, ter gezamenlijke oppervlakte van negenendertig hectaren twee en zeventig aren tachtig centiaren”. De prijs was f 2.979,60.

Nog geen vier jaar later togen de beide zojuist genoemde kopers opnieuw naar notaris K.J. Perk en wel op 27 februari 1897. Van Walree verkocht nu zijn helft aan Van den Wall Bake voor f 2.000,–. In de verkoopakte wordt nog steeds gesproken van gerooide bosgrond, deels met eikenhakhout bezet.

3. Het Tweede Bos.

Nu de twee delen in zijn hand verenigd waren, kon Van den Wall Bake bijna van voren af aan met de bebossing beginnen. Geen gering kwarwei, maar nu wel met het voordeel dat er al gepionierd was en er zich in de laatste halve eeuw een humuslaag gevormd had, waarop viel verder te bouwen. Het door hem gebruikte assortiment bestond uit acht soorten: groveden, oostenrijkse den, douglas spar, inlandse eik, amerikaanse eik, berk, beuk en sitka spar.

De grove den vulde driekwart van het terrein, maar er ontstonden ook percelen met oostenrijkers, – 3b, 19, 2e en lh -. Een volle hectare was gereserveerd voor de douglas spar, – 4f -, in het eind van de vorige eeuw een novum, want een volle generatie vroeger waren pas de eerste exemplaren uit noord-west Amerika via Schotland op het Loo terecht gekomen, waar sommige het tot op de dag van vandaag hebben volgehouden.

De douglas in ons complex werd als ongeveer zeven jarig plantsoen wijd uit elkaar gezet in vierkante op een onderlinge afstand van vier meter. Daartussen waren berken aangebracht, die weer in 1926 het veld moesten ruimen, nadat ze hun humusvormende taak volbracht hadden. Langs de westzijde werd een rij amerikaanse eiken omgezet om als scherm te dienen, daar douglassen nogal windgevoelig zijn. Hiervoor moest de bestaande eikenwal ter plaatse opgeofferd worden.

Vervolgens verschenen op ongeveer twee hectaren inlandse eiken, deels in boomgaardvorm en deels als hakhout – 3n, h, g, f -.

Een halve hectare kreeg de bestemming beukenbos, – 30 -. Er kwam een haag van sitka sparren langs de westzijde van het stukje akkerland om als dekking voor de jagers te dienen bij het schieten op reewild. Deze sparrenreeks is nog tamelijk in takt en natuurlijk nu hoog opgegroeid. In zekere zin is hier weer sprake van een curiosum, omdat de sitka doorgaans het in ons land niet veel langer maakt dan zeventig jaren, die langs de reewei zullen echter de tachtig jaar al ver gepasseerd zijn – 3d, e -.

De zuidwest hoek van het terrein, gelegen ten zuiden van het douglasstuk, werd beplant met amerikaanse eiken, waarvan thans nog een aantal kolossen hoog optornen – 4b -.

Gelukkig werd er ruimschoots aan laanbeplanting gedaan. Het noordelijk deel van de hoofdlaan (Hessenweg) kreeg aan weerszijden een rij amerikaanse eiken. Meer naar het midden ging deze aan één zijde over in beuken. De andere zijde met afsplitsing die naar het zuidwesten loopt, werd op grote onderlinge afstand van berken voorzien. Dit geschiedde tevens op enkele binnenlanen.

Het hele terrein was aan de vier zijden door inlandse eiken omzoomd. Mogelijk danken wij die langs de Hollandse sloot, de oostgrens en de noordgrens aan Van den Wall Bake (*5). Zoals reeds gezegd, de eiken langs de westgrens zijn veel ouder, maar van een gesloten reeks is daar geen sprake en dat alleen al niet vanwege de ingreep bij de stichting van het douglasperceel, – 4f -.

Na deze gedegen prijzenswaardige aanpak zal er, afgezien van de dunningen, niet veel meer gebeurd zijn. Bovendien volgde van 1918 tot 1924 een te snelle wisseling van eigenaren, hetgeen een bestendig beheer volkomen onmogelijk maakte.

Het begon ermee dat Herman Willem Alexander van den Wall Bake en Clara Peggy van Kretschmar van Veen-van de Poll het bos kregen toegewezen uit de erfenis van Hugo Laurens Adriaan van den Wall Bake op 28 januari 1911. Deze was overleden te Arnhem op 28 maart 1909. Diens weduwe echter hield het vruchtgebruik tot 16 januari 1917. Daarna volgde op 19 februari 1918 de toewijzing van het bos aan Clara Peggy alleen. Zij was een dochter uit het huwelijk van Elisabeth van den Wall Bake en Hendrik Joan van de Poll (*6). Op 10 februari 1920 verkocht zij het bos voor f 55.000,– door aan drie Bussumers, te weten de makelaars P. van Exter, J.A. Fernhout en de kunsthandelaar J.H.W. Kever. De beide laatsten verkochten hun beider deel op 26 januari 1922 aan de makelaar T. van Houwelingen, eveneens te Bussum woonachtig. Weer ruim twee jaar later op 28 maart 1924 slaagde hij erin het ontbrekende derde deel te kopen van de erven Van Exter voor f 15.833,33. Voor een uur of langer had hij nu het hele bos in handen. Maar nog op dezelfde dag ging het voor f 65.000,– over in bezit van de Larense heren K. Groesbeek, uitgever en kunsthandelaar en A.C. van Ommen van Guylik, particulier. Men kan zich afvragen wat de reden was van de snelle wisseling van eigenaren tussen 1920 en 1924. Gelet op de beroepen zullen speculatieve motieven zeker wel een rol hebben gespeeld. Wellicht waren de te hoog aangeslagen verwachtingen omgeslagen in diepe teleurstellingen.

Tijdens het bewind van de Larense eigenaren moet er omstreeks 1930 een perceel verbrand zijn, waarop inplant met groveden gevolgd was, – 1g -. Dat zal dan ook wel de reden zijn dat er op 13 april 1934 op naam van A.C. van Ommen van Guylik een brandverzekering werd afgesloten bij de Onderlinge Bossenverzekeringsmaatschappij. Deze verzekering, uiteraard aangepast, uitgebreid en aangevuld loopt door tot de huidige dag.

Na 10 februari 1920 hebben de drie eigenaren Van Exter, Kever en Fernhout een hypotheek op het goed genomen. Het bos bleef daar onder kreunen tot 29 september 1937. Immers om de rente te kunnen opbrengen vond jaarlijks een dunning van grove dennen plaats. Hoewel de Firma Van der Krol dat werk zeker met zorg zal hebben uitgevoerd, kon toch door de jaarlijkse regelmaat niet verhinderd worden dat het bos holler en ijler werd. En omdat er tevens geen geldmiddelen beschikbaar kwamen voor onderhoud en vernieuwing, ging de conditie van de opstand met rasse schreden achteruit. De eigenaren voelden aan dat er iets diende te gebeuren en lieten via het makelaarskantoor J. van der Smit te Hilverum het bos letterlijk aan de paal slaan. Een groot wit bord van zeker twee bij twee meter werd geplaatst bij de zuidwest hoek. Het heeft daar maanden zo niet enkele jaren gestaan met de kwellende gedachte dat “men het aan de straatstenen niet kwijt kon”. Uiteindelijk konden de weduwe van de heer Groesbeek en de kinderen van de heer Van Ommeren van Guylik, mevrouw A.M.F. Groèsbeek-Assenbroek, de heer Ir. J.H. van Ommen van Guylik en mevrouw J.H. Thomassen-van Ommen Guylik het bos op 29 september 1937 van de hand doen voor f40.000,–. Ondergetekende werd de nieuwe eigenaar en aanvaardde het bos zonder overname van de hypotheek. Daarom heerste er een gedrukte stemming tijdens de verkoopceremonie, waarbij de verkopers van een last werden bevrijd, maar nog wel de rente van het lopend jaar dienden te voldoen.

4. Het Derde Bos 1937 – heden.

Na een maand van bezinning werd er in het noordoosten tussen de grove dennen een open plek gevuld met amerikaanse eik, beuk en berk en met gaas omgeven ter bescherming tegen konijnenvraat. Het was een eerste zwakke poging tot vernieuwing. Dat loof diende enige kleur en variatie te brengen in het eenzijdige dennenbos. Het volgend jaar werd dit experiment nog twee maal herhaald in het zuidwesten en het midden-westen. Die oppervlakten waren uiteraard klein, zo ongeveer één tot twee aren. Vervolgens kwamen in dat jaar (1938) op enkele plaatsen in de slechtgroeiende eikenboomgaard kleine groepjes van japanse lariks, fijnspar en douglas, – 3n -.

Het waren ontwikkelde boompjes uit een kwekerij en zo ongeveer zeven jaar oud. Hiermee hadden intussen twee nieuwe soorten hun intrede gedaan: lariks en fijnspar.

Maar 1938 bracht nog iets heel anders. Voorjaar en zomer verstreken met de uitwerking van plannen voor de bouw van een toren-vormig onderkomen, de aanvraag en verkrijging van de onontbeerlijke vergunning van de gemeente Hilversum en vervolgens de realisering in augustus en september met de voltooiing in oktober (*7). De architect was Jan Rebel uit Laren, bekend door zijn villabouw door heel het land. Aanvankelijk kon de toren als uitkijkpost dienst doen, maar met het klimmen der jaren werd het gebouw (relatief) kleiner en het omgevend en insluitend bos hoger. De plaats was nauwgezet gekozen en wel op een heuvelruggetje met daarnaast een tamelijk steile uitgestoven laagte, waarin een “kommetje” van grondwater. Het niveauverschil is ongeveer zeven meter. De feitelijke bedoeling van de toren is opslagplaats van bosmateriaal en dagverblijf. Met de verwerking van handvormstenen, Slavonisch eikenhout en glas in lood van de Nijmeegse glazenier Ben Hofstee (o.a. voorstellingen van St. Barbara en St. Hubertus) is getracht er iets aantrekkelijks van te maken. De naam Wolfsdreuvik is niet zonder reden gegeven. Want op de kaart van Perk slaat die aanduiding op het zuidelijk deel van het gebied. Wolfsdreuvik betekent wolfsheuvel. Wolven kwamen er stellig voor tot diep in de achttiende eeuw. Er bestaat een legende, getiteld “De Wolvin in de Kerstnacht”, die op deze omgeving betrekking moet hebben (*8).

Een op schapen beluste wolvin liep in de val. Toen de verbolgen herder op het punt stond haar dood te slaan, drong ineens klokgelui tot hem door. De man besefte dat het kerstnacht was en gaf haar de vrijheid. De wolvin betoonde in een latere ontmoeting haar dankbaarheid door over de grond schuifelend naar de herder toe te kruipen en verdween daarna voorgoed met de hele meute uit het ruige gebied tot opluchting van herders en schapen.

Voor 1938 was er toen genoeg tot stand gekomen. Maar in 1939 werd het eerder vermelde plasje grondwater uitgegraven en vergroot tot een vijvertje van ongeveer 4 bij 30 m2. Dit karwei werd geklaard door een toen nog jongeman C. Jacobsen, die jarenlang met het bos vergroeid zou raken.

Intussen was er contact gelegd met de heer J. van der Krol sr., die vanwege de jaarlijks terugkerende dunning onder de vorige eigenaren het bos op zijn duimpje kende. Op zijn advies werd ing. W.C. Meyerink uit Doorn aangetrokken, rentmeester van het landgoed Sandenburg. Een betere raad had Van der Krol niet kunnen geven. Want Meyerink stelde een grondige restauratie voor: een jaarlijkse aanpak van ongeveer 3 ha. Op een perceel van dergelijke omvang ging twee derde van het grovedennenbestand tegen de vlakte. De overgebleven, doorgaans rechte stammen vormden een doorzichtig scherm waaronder eerst grondbewerking toepassing vond. Met de schop werden in rechte stroken plaggen gestoken en tot rillen of dijkjes opgetast. In de vrijgekomen grond kon nu op onderlinge afstand van ongeveer 1.50 m het doorgaans driejarig plantsoen worden uitgezet. Aanvankelijk werden de toegepaste soorten groepsgewijs gemengd in de vorm van halve manen met een oppervlakte van 100 m2 en meer. De toegepaste soorten waren douglas, japanse lariks, sitkaspar, corsicaanse den, weymouth (Pinus Strobus) en enkele soorten zilverspar. Daar tussendoor verschenen loofboompjes zoals amerikaanse vogelkers, tamme kastanje en lijsterbes. Deze laatste dienden de reeën van het naaldhout weg te houden. Het loof was doorgaans tweejarig. Het veertigjarig scherm bevatte naast groveden ook een aantal oostenrijkse dennen met aan de noordzijde een groep van even oude douglassparren. Deze eerste “hervorming” vond plaats in vak – lh – en was op 9 mei 1940 gereed gekomen. Ter wering van konijnen was het ganse vak omgaasd. In 1941 werd tsuga nog toegevoegd.

Het loof moest jaarlijks of tweejaarlijks worden ingekort, omdat het anders het naaldhout te zeer zou verdringen. Vooral was dat het geval met de vogelkers, die op het hele terrein niet bestond en voor humusvorming volgens de toen geldende opvatting in de bosbouw met duizenden stuks door mij is aangevoerd.

Deze bovengeschetste opzet was sterk afwijkend van de toen algemeen gebruikelijke. Het ging er om in groepsverband een menging tot stand te brengen onder een scherm van gespaarde bomen, terwijl in die tijd nog doorgaans kaalslag werd toegepast, d.w.z. alles kappen en opnieuw beginnen. Aan de heer J. van der Krol sr. is dus indirect het herstel te danken. Meyerink heeft het project tot in 1946 begeleid. Aan de overheersende positie van de grove den kwam daardoor een einde. Daarnaast was er nog een ander, die zonder het te weten grote invloed op deze gang van zaken heeft gehad, Mr. P.G. van Tienhoven, destijds voorzitter van de Vereniging tot  Behoud van Natuurmonumenten in Nederland. Deze had het mengschema reeds enige jaren tevoren toegepast o.a. in de wildbaan, gelegen langs de “Lange Juffer” in de bossen van Hagenau bij Dieren. Hij had daarbij gebruik gemaakt van Abies nordmanniana (Kaukasische zilverspar), Abies alba (middeneuropese zilverspar) en Abies grandis (amerikaanse zilverspar). Deze aanleg betekende een bron van inspiratie voor ons bos.

Herhaald bezoek aan het Nationaal Park de Veluwezoom, excursies, uitgaande van de Koninklijke Nederlandse Bosbouwvereniging en vooral ook het samen met de heer Jacobsen volgen van avondcursussen bij de Nederlandse Heidemaatschappij in Hilversum heeft veel kennis en nieuwe inzichten opgeleverd. In het volgend jaar (1941) volgde de omvorming van weer ongeveer drie hectaren bos in het vak – 3p -. Thans waren de hoofdsoorten douglas, lariks, sitka, fijnspar, corsicaanse den, Abies grandis en Tsuga heterophylla. Bij deze laatste soort is het nog steeds niet zeker of die keuze juist is geweest, omdat vroegtijdig optreden van wortelrot wel eens dodelijk zou kunnen zijn. Als extra loofhout werd acacia gebruikt (Robinia pseudoacacia) om een stikstof impuls te bereiken, maar na een paar jaar was er geen exemplaar terug te vinden.

Wellicht is het hier de plaats eens te vermelden wat zulk een oppervlakte kon opslokken: 8.000 driejarige douglas, 4.000 driejarige japanse lariks, 3.000 driejarige Tsuga heterophylla, 3.000 driejarige sitkaspar. 500 driejarige fijnspar, 1.000 tweejarige corsicaanse den, 100 tweejarige Abies grandis en als loofhoutvulling voor humusvorming 3.000 tweejarige witte els. 500 tweejarige krentenboompjes, 3.000 tweejarige lijsterbes, 500 eenjarige vlierstekken, 3.000 tweejarige amerikaanse vogelkers en 3.000 tweejarige Robinia pseudoacacia.

Het naaldhout is nog deels terug te vinden, maar van het loofhout resten alleen nog krentenbomen, lijsterbessen en natuurlijk volop de explosieve prunus. Het loof had vooral een tijdelijke functie en moest steeds wijken wanneer het dreigde het naaldhout te overgroeien. Dit alles was wederom onder scherm uitgeplant, nu niet meer in halve maanvormen maar in vierkanten of rechthoeken van ongeveer 20 bij 20 meter. De leverancier was steeds en tot diep in de jaren zeventig de firma W.C. Dictus uit Zundert.

Bij de uitvoering van het derde project in 1942 in de vakken 4e en j kwamen minder soorten in gebruik, maar nu wel meer tamme kastanje. De aldaar toegepaste witte els stierf uit.

In 1943 werden de vakken 3j, k, I onder handen genomen, maar hier waren alle grove dennen gekapt, zodat de bovenbeschutting ontbrak. Het jonge plantsoen heeft er echter niet merkbaar onder geleden.

Er gebeurde dat jaar nog meer. Aan de zuidkant van het bouwlandje werd in vak 4h een stukje beplant met driejarige zilverspar in menging met krentenboompjes en amerikaanse eik onder een dicht scherm van groveden.

De oostzijde van het bouwland (reeweide) werd gemarkeerd door een rij driejarige weymouthdennen. Deze moesten een tegenpool vormen met de rij van oude sitkasparren  aan de westzijde, 3d.

Achter deze weymouth-rij kwam tevens een bosvernieuwing tot stand met een menging van driejarige corsicaanse den, grove den en amerikaanse eik, 3a1. Onverdroten ging het werk in 1944 verder met de aanpak van een groot centraal gelegen stuk 2e, f, g en 3n. In dit laatst vermelde perceel bevond zich een slecht groeiende eikenboomgaard. Er werd tot kappen overgegaan, maar de meer westelijk staande gezonde eiken bleef dat lot gespaard. Deze werden onderplant met amerikaanse zilverspar die, in de loop der jaren, veel leden van het schuren door reeën en daarom in groei bijzonder achter bleven. Op de plaats van de gekapte eiken kwam een plantsoen van grove en corsicaanse den.

Het plantwerk werd doorgaans in het voorjaar uitgevoerd, wanneer de grond doordrenkt is van de winterneerslag. Het najaar kent vaak een droogteperiode die het planten zeer bemoeilijkt en daardoor sterfte oplevert.

In oktober 1944 vond bezaaiing met inlandse eiken plaats op een terreintje van ongeveer één derde hectare nadat zij eerst in de menie waren ondergedompeld ter bescherming tegen muizen. Het volgend jaar in mei 1945 waren de resultaten goed te zien, de jonge eikjes ontkiemden snel, – Ie -.

Meer kwam er in dat jaar niet tot stand, hetgeen, gezien de landelijke situatie, ook niet anders te verwachten viel.

In 1946 kon de draad weer worden opgenomen. Tevens begon het herstel van de schade, ontstaan door de willekeurige houtkap voor kachels en fornuizen van een menigte Hilversummers vooral tussen januari en juni 1945. Het noord- en middenoosten van het bos had daar sterk onder geleden en daarbij veel grovedennen en nagenoeg de hele eikenrand verloren.

Het vak 2h kon op de gebruikelijke wijze worden bewerkt en gelukkig was het zelfs nog mogelijk een scherm van groveden te behouden. Dat laatste bleek achteraf van bijzonder groot belang te zijn. Want deze overstaanders strooiden zo rijkelijk zaad, dat het talrijke kroost in staat bleek het plantsoen van lariksen, douglassen en fijnsparren bijna geheel te verdringen. Aldus ontstond per ongeluk een nieuw grovedennenbos van uitstekende kwaliteit. Immers schermbomen zijn doorgaans elite-exemplaren. Bovendien bleek nu voor het eerst in het bos natuurlijke verjonging goed te kunnen slagen. Maar in 1946/47 was dat nog niet duidelijk waarneembaar. Dat kwam pas later aan het licht en daardoor zou de zienswijze over bosvernieuwing totaal veranderen.

Het programma boshervorming vond dat jaar voortgang in het zuidelijk deel van het terrein in de vakken ldl en ld2 met de inplant van douglassen en fijnsparren. De werkzaamheden van 1947 betroffen de gehele noordstrook 3r en 2j. Afgezien van het gebruikelijke repertoire werden twee perceeltjes gereserveerd voor inlandse eiken en beuken – 3q – en een voor krentenboompjes – 3n -. Tevens vond herstel van de loofrand aan de buitenzijde plaats en wel met amerikaanse eiken en berken langs het noorden, inlandse eiken en beuken langs de noordelijke helft van het oosten. Maar het meest noord-oostelijke deel van de noordstrook – 2j – moest op beplanting wachten tot 1948, omdat door een rekenfout de bestelling bij de kweker te klein was uitgevallen. Dat uitstel kon echter ook een voordeel inhouden, namelijk een lichte bijstelling van het reeds gemaakte plan. Daaraan danken wij nu de aanwezigheid van een aantal moeraseiken (fijnbladerige amerikaanse eik).

De grote omvorming van dat jaar is meer naar het zuiden te vinden, in de vakken – 4c, g -. Naast de doorgaans toegepaste soorten kwamen enkele nieuwe in aanmerking, zoals Abies veitchii uit Japan en Abies concolor, die echter geheel verdween. Als loofhout voor menging en humusvorming werd voor de eerste maal vuilboom of sporkelhout gebruikt. Ook deze soort verdween bijna geheel na enkele jaren, maar komt thans steeds meer voor. Bessen etende vogels zijn daar natuurlijk debet aan. Er bestaan nog steeds enige Abies veitchii. Ze blijken echter niet geschikt voor de Nederlandse bosbouw, omdat de groei erg achter blijft. Dat is zonneklaar in vergelijk met de amerikaanse zilverspar (Abies grandis), die in dat blok tegelijkertijd in grote getale was geplant.

De zuidstrook langs de zogenaamde Hollandse Sloot of Gooiersgracht kwam in 1949 aan vernieuwing toe, – 4a en 1b, c -. Het westelijk deel was uitsluitend bestemd voor fijnspar, sitkaspar, douglasspar en amerikaanse zilverspar. Het oostelijk deel voor Japanse lariks, Thuya plicata, Picea omorica (Dalmatische spar), douglas en de zogenoemde Pinus sebinnensis, een soort middellandse zeeden, alles uiteraard groepsgewijs gemengd.

In 1950 moest de Thuya plicata worden aangevuld, want deze soort had veel geleden van broei tijdens het te lange vervoer per trein van Zundert naar Hilversum. De grootscheepse vernieuwing naderde nu langzamerhand haar voltooiing.

In 1950 weer een groot stuk, nu in het midden-oosten, langs het zandpad Hilversum-Lage Vuursche. Deze aanpak hield tevens in, dat nog enkele in de hongerwinter geslagen bressen konden worden gedicht – 2a, b, c, d – Het westelijk deel, dat niet zo geleden had, werd ontdaan van het grovedennenscherm en ingeplant met Japanse lariks, Tsuga heterophylla en sitkaspar. Deze combinatie had nog niet veel toepassing gevonden – 2d -. Het oostelijk deel had nog wat laag beuken- en eikenhout behouden. Dit werd aangevuld met douglasspar, Abies grandis en Chamaecyparis – 2a, b, c -. Daar echter die grond enige jaren onbebost was gebleven, had zich daar een zware bramenvegetatie ontwikkeld, die aanvakelijk door overwoekering het plantsoen aanzienlijk schade berokkende. Door herhaald maaien en aanvullen kon na enige jaren dit euvel worden verholpen.

Het grote werk was nu nagenoeg volbracht en de schade van vroeg 1945 hersteld. Maar intussen moest, zoals voor de hand lag, het onderhoud beginnen. De bomen en boompjes stonden weldra zo dicht als “haren op een hond”.

Het toen nog lichte dunningswerk was rendabel, daar de boeren veel geriefhout konden gebruiken in de vorm van staken, slieten en palen voor afzettingen. Thans is daar, vooral in het westen van het land, danig de klad in gekomen door toepassing van duurzame materialen zoals beton. Aldus bleef bij latere dunningen veel hout achter, uitstekend voor het bos maar schadelijk voor de beurs.

Naast het dunnen dienden ook steeds gaten te worden gevuld, ontstaan door storm, ziekte of bliksem.

Wat storm betreft, midden in de zomer van 1951 scheurde een zware orkaan een bijzonder dikke arm uit onze dikste boom, een eik aan de westgrens. De ontstane holte werd door een aannemer gevuld met tras en beton, in de hoop dat de boom zelf de wonden zou overgroeien. Hoewel de eik erg zijn best deed, slaagde hij daar niet in. Bovendien sijpelde regenwater aan de bovenzijde binnen en onderaan er weer uit. Later is te lezen wat er verder gebeurde.

In 1955 manifesteerde zich een sterfte in het middengedeelte van de oostenrijkse dennen – 3c -. Mogelijk was het aantasting door honingzwam. Dat proces was overigens reeds begonnen in de winter van 1944-1945. Het getroffen stuk werd ruim afgemeten, opgeruimd en na grondbewerking met Tsuga en Picea omorica ingevuld. Daarmee bleek dit gevaar voorlopig bezworen.

Direct daarop in 1956 volgde nieuw onheil, gebracht door een spreibliksem in het douglasbos – 4f -. Acht reuzen kregen in één slag bruine toppen. De middelste stam vertoonde een kurketrekker, een spiraal van boven naar beneden. Na de kap werd het gat met Tsuga’s gevuld, maar niet omgaasd. Op deze omissie volgde onmiddellijk een zware straf: konijnenvraat. In 1957 nieuwe Tsuga’s geplant en nu wel met gaas. Overigens was dat jaar ook de myxomathose vanuit Frankrijk verbreid. Het konijnengevaar werd daardoor toch al beperkt.

Na een periode van stilte en rust ontstond er in 1959 een mini-bosbrandje door onvoorzichtigheid van wandelaars. Het vuur zelf was snel ingeperkt, maar ondergronds door de humuslaag kroop het verder en kwam hier en daar plotseling naar boven. De nazorg vereiste dus tijd en moeite, – zuidwesthoek van vak lf –

In het beukenbos langs de hoofdlaan kwamen in maart 1962 op de toen in de loop der jaren opengevallen plekken rhododendron-planten en amerikaanse zilversparren te staan – 30 – Maar deze onderlaag heeft het niet zo makkelijk, omdat de omringende beuken met hun kronen de openingen in het bladerdak intussen geheel en al hebben gesloten.

De toepassing van rhododendrons onder beuken was afgekeken van de Wouwse Plantage in westelijk Noord-Brabant. Aldaar komt deze plant voor gemengd met tamme kastanje. In Nederland is de grond onder beuken doorgaans kaal. Alles dat hierin verbetering kan brengen wordt dus toegejuicht. Maar het zal nog wel even duren eer de Wouwse harmonie bereikt zal zijn.

De zogenaamde reeweide (bouwlandje), gelegen tussen de sitkasparren en de weymouthdennen, werd in 1944-1945 omgetoverd in een groente- en aardappelveldje en enige jaren later in een boomkwekerijtje met al spoedig de nadruk op kerstsparrenteelt, – 3d – Van hieruit werd toch al een aardige bijdrage geleverd in de tussentijdse plantsoenvoorziening op opengevallen plaatsen.

Intussen verliep in de loop der jaren zestig de dunning niet naar wens. Immers Jacobsen had zo zijn eigen gedachte hierover. Zo was hij bij sterke dunning bevreesd voor stormschade, sneeuwval en ijzel. Hij pleitte dus voor een gesloten bestand. Het is achteraf de vraag of hij ongelijk had. Immers in maart 1985 vingen mijn oren een uitspraak van ing. L.A.S. Klingen op: “kijk de eerste dertig jaar niet om naar een nieuw aangelegd bos. Laat de bomen eerst onderling maar uitvechten wie het uiteindelijk zal winnen”. Maar deze stelling heeft bij ons niet kunnen gelden, al was het alleen al omdat die te laat gehoord werd.

Na sinds 1939 het wel en wee van “zijn” bos te hebben meegemaakt, vertrok Jacobsen per 1 januari 1970. Overigens had hij steeds nevenwerkzaamheden gehad, omdat 40 ha. bos nu eenmaal niet voldoende is om één werknemer een dagtaak te bezorgen. Zijn rol werd overgenomen door de Kon. Nederlandse Heidemaatschappij, die tevens een rentmeestersfunctie ging uitoefenen. De achterstand in dunning werd nu ineens als bijzonder ernstig gezien. “Het toekomstige goede bos, recht van lijf en leden is al aanwezig, maar het moet alleen nog worden uitgepeld”. Welnu dat uitpellen duurde drie jaar en vergde aanzienlijke bedragen. Het waren geen bijzonder rendabele dunningen. Opnieuw bleef veel dunningshout in het bos achter, hetgeen voor de grond bijzonder goed was. In het voorjaar 1972 was het zware offer volbracht. Juist op tijd, want in november van dat jaar brak de eerste geweldige storm los, die ook bij ons zijn sporen naliet. Ondanks of dankzij de zware dunningen van 1970-1972 heeft het bos deze aanval goed doorstaan.  Een nieuwe orkaan kwam al tegen Pasen 1973. Wederom schade: afknappen en omwaaien, maar toch tamelijk beperkt. Wel was in een diepe laagte, door uitstuiving ontstaan, al het geboomte als lucifers over elkaar heen gewerveld, – 4e -. Aan werk geen gebrek!

5. Het Vierde Bos, van 1973 tot heden.

Alle in 1972 en 1973 ontstane gaten, bressen en stormvlakten dienden in korte tijd weer ingevuld te worden. Deze nieuwe aanplant noemen wij het vierde bos.

Het vak 1d2, waarin bijna alle bomen gesneuveld waren, werd met japanse lariks ingeplant zonder omgazing. De gevolgen laten zich raden. In 1974 volgde een nieuwe poging, nu met tsuga’s en omgazing.

De verzonken laagte in vak 4e kreeg een beplanting van vijf- tot zesjarige fijnsparren, die al enige jaren op de eigen kweek hadden doorgebracht. Ook verder kwam er in dat perceel op uiteenliggende plekken een aanvulling met fijnsparren tot stand.

Een grove dennenbestand moest worden aangelegd in perceel 3a3. Maar de konijnen zorgden ervoor dat pas een tweede poging slaagde, omdat er toen omgazing was. Ook kan door het verkeerd laten neerploffen van een gevelde boom een grote ravage ontstaan. Zoiets was geschied in 1971. Het volgend jaar werd die bres gevuld met chamaecyparis lawsoniana, die als zaailingen waren geteeld in de plantenkas in Bussum – 4j -. Omdat deze groep toch nog iets te compact was, ondanks diefstal rond kerstmis 1972, moesten enkele exemplaren verhuizen naar vak 1c2 bij de thuya’s uit 1949.

Uit de ellende van de stormschade werd toch iets goeds geboren. De boseigenaren, die tot dan toe erg los naast elkaar stonden, werden als het ware bijeen gewerveld en vonden elkaar op initiatief en met begeleiding van de Heidemaatschappij, die tevens bereid was een coördinator te leveren. Na veel gepraat en ellenlange onderhandelingen ontstond in het Utrechtse een drietal samenwerkingsverbanden. De opzet was te streven naar gezamenlijke verkoop van hout, inkoop van plantsoen en bundeling van werkzaamheden. Ons bos maakt deelt uit van de bosgroep Utrechte Heuvelrug Noord en ‘t Gooi en voelt zich daar best in thuis.

Langzamerhand bleek het noodzakelijk drie percelen bos, die wegens hun vitaliteit en kwaliteit sinds 1939 ontzien waren, nu toch onder handen te nemen.

Allereerst in 1975 een centraal gelegen terrein in hoofdzaak bestaand uit groveden van omstreeks 1900 en een onderzaai van amerikaanse eik uit 1943/44 met enkele tussentijdse invullingen van douglassen. De kap in de grove den had al eerder plaats moeten vinden, maar was door de stormen vertraagd.

Er was al genoeg hout op de markt gekomen, zodat er beter even gewacht kon worden tot de prijzen wat waren aangetrokken. De dennen waren, zoals dat heette, op retour. Inderdaad kwam er nog wat sterfte voor en de stormen hadden er nu verder in huisgehouden. Op ongeveer 90 bomen na werden ze geveld. De amerikaanse eiken, nu vrijgesteld, bleven krom, gebogen en slap achter. Maar na enige jaren richtten ze zich op. Ondertussen waren er enkele open plekken ontstaan, die met een aantal kerstsparren uit de kweek werden gevuld. Na enige tijd ontstond er tevens opslag van de gespaarde grovedennen – lf -.

Het vak 1gl was in de loop der jaren geheel door prunus overwoekerd en bevatte nog maar weinig goede groveden. Op enkele na werden ze verwijderd. Maar de overgeblevene waren genoeg in aantal om voor bezaaiing te kunnen zorgen. Uiteraard eerst grondbewerking met de bosploeg en daarna het gebied met gaas omgeven. Dit gebeurde in 1977. De twee volgende jaren brachten een menging met inwaaiend zaad van het omringend geboomte: groveden, lariks, douglas, chamaecyparis en berk. Maar waar de natuur spaarzaam te werk ging, vond aanvulling plaats met boompjes van elders binnen het bos, waarbij vooral veel tsuga. Voorlopig moest er jaarlijks worden ingeboet, maar thans in 1985 mag het opkomend bos als geslaagd worden beschouwd.

Hetzelfde gebeurde in vak 3e. Het oude bos van oostenrijkse dennen was daar verder op retour na aantasting door de stormen van 1972 en 1973 en mogelijk .als gevolg van verzwakking door honingzwam. Ongeveer zestien oude exemplaren bleven gespaard, mede met het oog op bezaaiing. Er ontkiemden wel jonge oostenrijkertjes, maar niet voldoende om van een nieuw bos van oostenrijkers te kunnen spreken. Toch zal ook daar een goed bos ontstaan door toedoen van de omringende bomen. Het inwaaiende zaad van de lariksen aan de westzijde bleef grotendeels steken tegen de opgetaste wal van takken van het gesneuvelde geboomte. Aldus in het westelijk deel vooral jonge lariks en aan de oostzijde veel meer groveden.

Een jaar eerder in 1976 was de vernieuwing begonnen van het ruim negentigjarig douglasbos – 4f -. De aanleiding was de verwachting van een goed zaadjaar, gezien de vele kegels, die hoog bij de toppen hingen. Een rechthoekig stuk binnenin werd met de bosploeg bewerkt en omgaasd. Het resultaat was verbluffend. Maar wel bleek dat de verdere groei ietwat belemmerd werd door het tamelijk dichte kronenscherm van de moederbomen. Daarom werd daar in 1977 gedund. Verder viel het besluit nu maar het totale perceel te bewerken en te omgazen. Maar er kwamen voorlopig geen rijke zaadjaren voor de douglas meer. Daardoor konden andere omringende boomsoorten hun kans waar nemen.

Zo ontstaat er geen nieuw zuiver douglasbos meer, maar een menging met in hoofdzaak lariks, grove den en berk. Natuurlijke verjonging is vaak een kansspel. Men krijgt doorgaans niet wat men verwacht, maar daarvoor in de plaats een menging, hetgeen in feite boeiender is. Na negentien jaar brak er weer eens brand uit, louter moedwil en vandalisme, in het kurkdroge weekend van 3 tot 4 juni 1978. De schade viel wel mee, maar dagenlange naverzorging en controle waren dringend noodzakelijk. De getroffen plaatsen waren te vinden in het zuiden van vak 3h, de zuidoost hoek van vak 3k en verder verspreid door het midden van 2f. Voorzover nodig volgde herinplant in 1979, 1980 en 1981 met fijnspar uit de eigen kwekerij en plantmateriaal, vooral tsuga, van elders uit het bos.

Intussen had in 1981 een buizerdpaar van het douglasbos bezit genomen en nestelde in een vork van een niet al te fraaie douglas. In 1982 volgde een herhaling op precies dezelfde plek. Bij de noodzakelijke dunning in 1983 terwille van de jonge opslag werd de boom gespaard, maar het nest bleef toch sindsdien verlaten. In dat zelfde jaar werd de buizerd vervangen door een havik, die zich een nieuwe nestruimte koos in de top van een andere douglas -4e-. Het jaar daarop 1984 trok de havik meer in de richting van de toren en vestigde zich in de kroon van een japanse lariks – 4j -. Ook daar keerde hij na het geslaagde broedsel niet terug, maar verborg zich in 1985 in een complex met hoge tsuga’s, waar met succes gebroed werd – 3p -.

In 1983 en 1984 vonden werkzaamheden plaats, die de moeite van het vermelden waard zijn. Het in verval geraakte kwekerijtje werd geëgaliseerd en tot ree- en speelweide omgebouwd. Zo ontstond een nieuw stukje landschapsschoon, waarbij de omgrenzende bomen een grote rol spelen. Binnen het kader der Stichting Boswerk konden laanbomen worden opgesnoeid:
eiken, beuken, amerikaanse eiken. Ook de grens eiken langs de Hollandse Sloot kregen een opknapbeurt – 4b, a, 1c1, b -. De zgn. holle eik van omstreeks 1840 en een grote amerikaanse eik bij het douglasperceel moesten van een betere en vlottere waterafvoer voorzien worden. Het bestrijken met boombalsem diende bij beide bomen schimmelvorming tegen te gaan. Het verwijderen van tras en beton was al een paar jaar eerder gebeurd. Een aantal modderachtige plekken in de hoofdlaan werden uitgegraven en vervolgens gevuld en aangeplet met leemgrond uit de omgeving van Rhenen. Het ging om een hoeveelheid van 18 m3.

6. En Nu Verder.

In het begin der jaren tachtig ontstond er binnen de nog jonge bosbouwwetenschap een nieuwe theorie: het systeem der toekomstbomen. De eerste kennismaking daarmee vond plaats in 1982 en in december 1983 werd ook het Smithuyserbos erbij betrokken. Het streven is rechte gezonden te selecteren en vrij te stellen en ze daarmee de kans te geven tot diep in de éénentwintigste eeuw door te groeien.

Het verwijderen van concurrerende exemplaren is nodig om een goede kroonvorming bij de elitebomen mogelijk te maken, waardoor hun diktegroei gestimuleerd wordt. Bovendien kunnen in de vrijgekomen ruimte rond de toekomstboom zaailingen ontstaan, die een onderetage vormen. Naast de uitgekozen bomen met hun open ruimten blijft op de rest van de bosopstand het normale beheer met de regelmatige verzorging van toepassing. Ing. L.A.S. Klingen, de promotor van dit nieuwe “bosevangelie”, zocht in 1984-1985 in de westelijke helft van het bos ongeveer 1150 bomen uit in de leeftijd van om en nabij veertig jaren. Deze inlandse eiken, amerikaanse eiken, douglassparren, Japanse lariksen, fijnsparren, sitkasparren, zilversparren, amerikaanse zilversparren, tsuga’s, grovedennen en corsicaanse dennen worden dus geacht door te leven tot zij tachtig tot negentig jaar oud zullen zijn, maar de inlandse eiken met hun langere omlooptijd, moeten toch wel tot 2100 het leven trachten te rekken.

In 1987 zullen in de oostelijke helft eveneens exemplaren voor na 2000 worden uitgekozen. Het volgen van deze zienswijze betekent dat kaalkap taboe is en dat de ontwikkeling meer gaat in de richting van het plenterbos (een bos dat zoveel mogelijk leeftijden herbergt en waar steeds geveld en geboren wordt). Voorts moeten twee taken in acht worden genomen. Allereerst de prunusbestrijding door voorlopig jaarlijks te knippen, maar geenszins uit te roeien. Dat snoeien is nodig om bosvorming te voorkomen. De prunus of vogelkers biedt echter wel voordelen: bosbrandvertragend, beschutting voor wild en vogels, maar ook voor lijsterbessen, krentenbomen en vuilbomen tegen reewild en dan nog altijd niet te vergeten humusvormend. Vervolgens steeds tijdig vullen van opengevallen plaatsen van enige omvang en met voldoende lichtinval. Niet al het loof- en naaldhout, dat daar terechtkomt, behoeft op den duur door te dringen in het kronendak. Zij die in de loop der jaren achter blijven, vervullen nog altijd een belangrijke rol in de onderlaag. Maar ook kunnen dergelijke plekken uiteindelijk tot kernen uitgroeien in een ijler wordende omgeving.

Exoten, die zich hebben weten aan te passen aan klimaat en bodem, dienen burgerrecht te krijgen. Dat aanpassen uit zich niet alleen in een gezonde groei, maar ook in de natuurlijke verjonging, zoals bij douglas, lariks, tsuga, zilverspar en chamaecyparis. Deze zienswijze vindt ook haar afspiegeling in de keuze van de toekomstbomen.

Wel is het goed, dat in de komende decennia een lichte verschuiving zal plaatsvinden van naaldhout naar loofhout en dat vooral de inlandse eik en de douglas in aantal zullen toenemen.

Het beheer van dit bos stoelt op een driepoot: natuur en landschap met zorg voor flora en fauna, houtproductie en passieve recreatie (wandelen, fietsen). Sinds maart 1969 valt het terrein onder de Natuurschoonwet en is het met inachtneming van de gebruikelijke voorwaarden voor het publiek opengesteld met uitzondering van een beperkt gebied rond de toren. De houtproductie mag geenszins verwaarloosd worden. Nederland voorziet thans voor 8% zelf in zijn eigen behoefte aan hout. De rest moet worden ingevoerd, terwijl de wereldproductie gestaag afneemt. Daarom is het streven, dat tegen het midden van de eenentwintigste eeuw de eigen voorziening tot 25% zal zijn opgelopen.

De luchtverontreiniging is onmiskenbaar. De grond wordt van bovenaf bemest o.a. met stikstof. Waarschijnlijk danken wij daaraan de explosie van het lieftallige plantje de rankende helmbloem. Verder treedt er zo nu en dan naalduitval op bij douglas, tsuga en Abiëssoorten. Het gevaar in onze regio ligt niet alleen bij auto’s en chemie, maar vooral ook bij de bio-industrieën. Het is te wensen dat een komende mestwet de dreiging zal beperken.

Dit betrekkelijk kleine bos dient kleinschalig beheerd te worden, hetgeen bij grotere bossen onmogelijk is. Zo zal gelet moeten worden op een gunstige ontwikkeling van de vegetatie van hulst, krentenboom, vuilboom en lijsterbes. Tijdige omgazing kan hierbij uitkomst bieden. Deze zorg en toewijding is wellicht het beste te waarborgen bij particulier beheer.

Intussen gaat het jaarlijks werk gewoon door. Zo is besloten de ongeveer zestig 90-jarige oostenrijkse dennen in vak 3b te onderplanten met beuken, zilversparren, douglassen, tsuga’s en taxussen. In het voorjaar van 1986 zal dit project wel voltooid zijn. Op die manier kan daar een onderlaag ontstaan in combinatie met de ruim veertig boompjes, die daar reeds door moeder natuur geplant zijn. De oude dennen blijven echter hun voorrang behouden. Ze gaan dus niet sneuvelen om de onderlaag in de toekomst meer kans te bieden. Alleen bij ziekte en sterfte van de grijsaards mogen de jongeren aan hun trekken komen. Maar het is best mogelijk dat sommige oostenrijkers in staat zijn de 150 jaar te halen en die kans mag hen niet onthouden worden.

7. Samenvatting.

De oudste bomen, inlandse eiken, als spaartelgen overgebleven van de westelijke grenswal, komen voort uit de tijd van Pieter Johannes Smithuysen omstreeks 1839. De holle eik is het meest spectaculair. Mogelijk stamt ook het eikenhout en eikenhakhout in – 3f, g, h – oorspronkelijk uit de tijd van Pieter Jan. Van het eerste naaldhout is niets over, omdat het kort na 1890 werd geveld. Het Van de Wall Bake-bos kwam er beter van af: douglassen, beuken, laan- en grensbomen, grove en oostenrijkse dennen, de sitkarij langs de weide en enige berken langs de lanen.

Met de hervorming van 1940-1950 werd op dat zogenaamde tweede bos voortgebouwd onder de toevoeging van vele nieuwe soorten. De stormen van 1972-1973 sloegen natuurlijke bressen en de herinplant noemen wij het vierde bos. Vanaf 1976 wordt er geen plantmateriaal meer van buitenaf aangevoerd, want de bomen uit het derde bos (1940-1950) kunnen nu zelf voor de voortplanting zorgen. Op dertig tot  veertigjarige leeftijd kunnen zij jaren beleven met veel kegelvorming en dus veel zaad. Van deze mogelijkheid is geprofiteerd bij twee vakken, die tot dan toe aan de herinrichting waren ontkomen – 1g1, 3e -. Het streven is aan dergelijke bezaaiing in de toekomst de voorkeur te geven. Wanneer er alsnog geplant moet worden, zoals bij inboeten, wordt alleen gebruik gemaakt van plantjes die elders in het bos door natuurlijke bezaaiing ontstaan zijn. Het opsnoeien en vrijstellen van toekomstbomen levert een soort uitpeleffect op en geeft bovendien een impuls aan de natuurlijke verjonging. Veel aandacht moet besteed worden aan flora en fauna, steeds aan verandering onderhevig en helaas aan vermindering. Zo missen wij sinds enige jaren de hanekammen en bij de vogels laat de gekraagde roodstaart steeds meer verstek gaan. De mossen-variatie is tamelijk groot en de import van dalkruid en salomonzegel op een daartoe geëigend hoogveenplekje mag als redelijk geslaagd gezien worden. Het noordelijk en zuidelijk deel van het bos zijn ieder afzonderlijk aan een vogelcontroleur toevertrouwd. Tezamen waken zij over ruim vijftig nestkastjes die doorgaans voor de helft bewoond worden (* 9.). Bij een drietal kasten worden proeven genomen met zinken manchetten rond de stam om rovers als wezels en eekhoorns af te weren. Zulk een boom ziet er dan uit als een “object” uit onze dagen, een stukje “land-art”.

Heel geleidelijk gaande in de richting van iets minder naald en wat meer loof zullen variatie en evenwicht een basis vormen voor bestendigheid en continuïteit, Het bos kent geen achterstand van werkzaamheden. Het staat gereed om de uiteraard onzekere toekomst tegemoet te gaan. Wij weten niet wat ons te wachten staat aan stormen, branden, ziekten, verontreiniging, snelwegen en een onpeilbare houtmarkt tegen het midden van de éênentwintigste eeuw (*10). De mens wikt, God beschikt. Het bos dient als een bijou beheerd, verzorgd en gekoesterd te worden tot in lengte van dagen.

Noten.

*1. Die mening wordt ondersteund door de vondst uit de jaren zestig van twee aaneenpassende scherven van een vermoedelijk zestiende eeuws wit gres vaatwerk (een pot of kruik) uit Westerwal of Siegen. Deze fragmenten zijn bij spitwerk gevonden in een ruigte met pijpestrootjes, omgeven door een ovale omwalling, waarvan nog niet zeker is of hier sprake is van een natuurformatie of een versterking, door mensenhand opgeworpen. Dit boeiend plekje ligt op enige tientallen meters van de zgnd. Hessenweg – 2f –

*2. Proces Verbaal verkoop Heidegrond 10 november 1837 (Gemeentearchief Hilversum)

*3. De heer Mr. H.F. Blaisse te Amerongen, achterkleinzoon van Pieter Johannes Smithuysen, verschafte gegevens over zijn overgrootvader en zijn grootvader, waarvoor hem veel dank verschuldigd is.

Mevrouw G.M. Abrahamse, gemeentearchivaris van Hilversum, gaf inzage in een aantal documenten: Het Proces Verbaal Verkoop Heidegrond 10 november 1837, de bijbehorende figuratieve kaart der Kavelingen, het koopcontract van P.J. Smithuysen 19 januari 1838. Voor deze spontane medewerking, waardoor de rij van eigenaren werd aangevuld, ben ik haar bijzonder dankbaar.

*4. Zij zijn te vinden langs de westgrens. Onderzoek met de aanwasboor op 24 oktober 1985 wees een leeftijd aan van ongeveer 150 jaar.

*5. Onderzoek met de aanwasboor op 24 oktober 1985 wederom door ing. L.A.S. Klingen wees op een ouderdom van ongeveer 90 jaren van de eiken langs de Hollandse Sloot.

*6. Elisabeth van den Wall Bake was een oudere zuster van Hugo Laurens Adriaan en Herman Willem Alexander een oudere broer. Clara Peggy van de Poll was een dochter van Elisabeth en aldus oomzegster van Hugo Laurens Adriaan. Deze laatste was in 1909 kinderloos overleden.

*7. De vergunning bood tevens de mogelijkheid tot het bouwen van twee villa’s. Terwille van bos en natuur is dat plan niet tot uitvoering gekomen.

*8. H. de Weerd, de Wolvin in de Kerstnacht (wasmeertjes bij Hilversum), Gooise Legenden, Hilversum 1960, blz. 30-34.

*9. Beide heren zijn lid van de vogelwerkgroep Het Gooi en Omstreken. Het streven is van het bos een zgnd vrij vogelreservaat te maken en met het broedseizoen rekening te houden, dit in samenwerking met de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van vogels.

*10. Tegen het einde der zestiger en het begin der zeventiger jaren dreigde de aanleg van een nieuwe snelweg van Haarlem, aansluitend en kruisend de snelweg Hilversum-Utrecht en gaande door het Goois Natuurreservaat, het Smithuyserbos, de Maartensdijkse bossen, de Vuursche bossen en verder in de richting van Oss. Vooralsnog is dit onzalig plan opzijgeschoven

Overzichtskaart Smithuyserbos

Figuratieve Kaart Smithuyserbos.